Vanaf midden 2012 verschijnt het literaire tijdschrift Digther enkel nog online onder de naam 'De schaal van Digther'


Mijn gedichten op 'De schaal van Digther' zijn te lezen via mijn label:

https://digther.blogspot.com/search/label/Eric%20Vandenwyngaerden

Of hieronder:

geplaatst op 23 maart 2026


Movement of the people
   denkend aan Gaza


    Puinpad


Zo vergaan ons de dagen, de weken en jaren:

de blik op oneindig. De komende uren opnieuw

op de vlucht voor een strijd die voor altijd herinnerd
zal blijven. Die een leegte nalaat en verwenst wordt.

Aan de rand van de stad zien we mensen verschijnen.
Ze houden halt, en nemen een foto. Ze laten een doorgang.

We zullen mekaar maar vluchtig begroeten. Bedenkend
hoe vogels en bomen, hoe bloesems het volgend seizoen
– en ook wij – zullen zijn. Hoe we morgen …

 

We vervolgen het puinpad waar we waren gebleven

en torsen een leegte op onze schouders.


Er is honger die leeft tussen ons.



© Eric Vandenwyngaerden



     Onuitgesproken

                          

Wat niet verteld werd over onze angsten,
ons verdriet. We hadden niet de kracht,
maar gingen door en kropen weg.

Hoe we de dagen telden dat we niet.

De uren die. Onuitgesproken woorden van.
De nachten dat we eenzaam lagen in.

Met over onze hoofden heen de wereld
die aan brokken viel. En toch zeg ik:
mijn liefste lief, ik ben er nog, ik schrijf.

Ik schrijf wat over dit: wat over ons.
Onuitgesproken ons –



© Eric Vandenwyngaerden

 



     Zullen we


Zullen we dus maar blijven, het leven nemen
zoals het komt? En zeker niet over huidhonger
spreken?

Denk je echt dat dát ons aan de waggel zal
houden? Kom wat dichter. Laten we over
de drempel springen – kom!


Kan zoiets wel? Staan we niet te gammel in
onze schoenen? Zijn we niet te bang?


Moeten we onze dagen dan verder laten kleuren
in sepia, woestijnzandrood of die andere
tinten van duisternis en dood? Nee toch?


Ik weet het niet. Zullen we eerst nog een sahlab
drinken? … Zeg iets – toe, zeg iets!

Zouden we niet beter een liedje zingen?



© Eric Vandenwyngaerden



 

     Schuilplaats


Er wordt geklopt –

Op de wereld woont een kind in het licht.
Een ander schuilt in het duister. Het zit daar.
Het ademt en leeft in de stilte.

Er zijn vele uren. Er zijn dagen van angst,
en ook van pijn, van oorlog en honger
– die altijd nabij is, en knagend.

Je ziet en aanziet het. Je voelt het. Je schrijft,
en het kind verblijft in je woorden. Maar alles
eromheen ligt aan scherven.

Er wordt nadrukkelijk geklopt nu. Er is haast.
Het is er. Laat het kind nu maar binnen.



© Eric Vandenwyngaerden

 

 


    Het is heet

 

We zetten de deuren open en leven op
zuchten van wind. Een raam slaat dicht.
De hond schrikt op uit zijn dromen.


Bij de overbuur in de tuin jubelen
de kinderen. Plezier stuitert van
de trampoline – het is hoogzomer.

 

Ergens vallen pakken uit de lucht
naar beneden. Holle ogen staren naar
de hemel. Geen pop om mee te spelen.
Honger schrijft de regels in dit spel.

En thuis wakkert de wind. Er is
onweer op komst. Op de achtergrond,
in het nieuwsbericht, weerklinken schoten.

Iemand verslikt zich in een kogel.

 

Het is heet op alle fronten.



© Eric Vandenwyngaerden

 

 


geplaatst op 23 december 2024


   Peccavi


Geuren worden snel herkend
als men dwaalt door gangen
achter gesloten deuren
een lichaam vermoedend
slentert men binnen
met handen, weggemoffeld
in broekzakken, tastend naar niets.
 
Tafels zijn volzet
ogen spreken boekdelen, andere
lezen af wat niet gezegd wordt.
Een lach (aarzelend)
versmacht het spreken.
Geduldig is wat men geworden is.


Wat men zich wenst, verplaatst
zich naar het onverwachte.


© Eric Vandenwyngaerden



geplaatst op 19 en 20 januari 2024



   Hier ben ik


En dan waait de wind.

Het huis, het warme huis achter
de luiken, daar waar alle stilte zich bevindt,
steunt in zijn voegen.

Mocht het genoegen zich voltrekken hier,
als we naar binnen gaan. Als we de hoge
kamer dan betreden – en - ik draag.
 
Beneden klopt een raam. Een deur slaat
dicht, laat het verleden achter zich. Ik leef
als een herademing.

De laatste woorden zijn nog niet gezegd.
Hier ben ik. Buig voorover. Leg je neer.




    Weg


Van alle uren is de nacht.    
 
De warme lakens opgesjord.
De kussens bij elkaar gepropt.
We slapen nog. Het is te goed hierzo.

De ochtend sluimert door de luiken heen.
Je houdt krampachtig ieder ogenblikje vast.
Je wilt nog niet, je klampt, je weigert dienst.

Op enkele passen van je bed loopt buiten
al een nieuwe dag met toeters en geschreeuw.
Je draait je nog een laatste keer. De woeste
wekker tikt, loopt af … weg is de nacht.

Van alle uren is de dag.



    Wat is dit?

Wat kunnen je woorden nog zeggen?
Ze liggen verdwaasd op het kladblok,
nog onvoltooide verzen te wezen.

En je zinnen: wie wekt ze nog eenmaal
tot leven, onder het warme dak? In de kamer
de tikkende klok en jij, daar verrast door

de stokkende tijd. Te jong nog. Nog zoveel
te doen – mijn excuus voor het kleffe cliché.
Ach, wat kunnen mijn woorden nog zeggen?

Wat is dit? Deze mare, die wee. 



Bernard Dewulf (1960-2021)

 

 

    Oostende

 

Over het water. Over de wind die waait
en wilde haren.

De tijd zet aan. Het leven bijt
en ondermijnt. Hoe huid verkleedt zich.

Hoe hij zich in het kind in hem te slapen
legt en danst een tango tot hij valt.

‘Il est tombé du ciel,’ zingt hij. En krast
zijn bleek geworden woorden door de nacht.

De scène trilt. In rimpelingen gaat de spiegel-
deken. Alles verdrinkt – de hemel tekent zwart.



Arno Hintjens (1949-2022)

 


    En als        
                   
                                       
En als het morgen stopt – de wereld
over de rand gaat. Als ik van de kim
spring, die andere oneindigheid in
en niet meer ademen zal. Wie weent
er dan voor kind en kind?

Mijn tijd is op. Men schrijft augustus
en er waait een zwoele wind. Ik rust nu.
Nee, ik moet niet verder als de ochtend komt.


Caroline Pauwels (1964-2022)



© Eric Vandenwyngaerden

 


geplaatst op 14 april 2023

 

   Perron


    1  Bijna


Telkens als je zegt ‘we zijn er bijna’,
ben je er nog niet: je stapt nog niet
van de trein. Er is nog geen vast
perron. We naderen nog.

Ook als ik denk – ik sta maar
eens op, want je zegt ‘we zijn
er welhaast’ – zoek ik nog wat te
doen: mijmer ik weer weg, schrijf
nog iets op. Voorzichtig, verbaasd.

En het is koud in huis. Terwijl ik
wacht op jou, hoor ik de verte
in het treingeruis, haalt de herfst
de zomer in, droom ik dat je er
bent, dat je eindelijk binnenkomt:

regen druppelt van je kin.

 

 

    2  Zo dus


Teken hoe het komt dat je
nog bij me bent: je wuift in
de verte – eenvoudig hoe
alles kan zijn.

Dat en de avonden hiervoor,
en alle andere daarna,
houden we in gedachten.

En uren regen zich aaneen.
We leerden een nieuw wereld
kennen.


Buiten daalt inmiddels de zon.
Je bent er.
Dit is het dus: zo.

Nog pluk ik je van het perron.

 

 

    3  Perron


Zie hoe ze kijkt als ik haar zie:
we komen thuis bij lage zon.

En als de nacht straks overkomt,
schuiven ook wij; en zonder
aarzeling duiken wij onder.



© Eric Vandenwyngaerden




geplaatst op 18 juni 2021:


Er is iemand die geen stem bezit

Bij ‘De mensengenezer’ van Koen Peeters (2017, De Bezige Bij)


    1 Westhoek

            Het wezen, er bestaat misschien zoiets
            als het wezen van de Westhoek.

Waaraan denk je als je dat leest?
Hoe ontplooit zich de geest in dit verhaal?
En wat vertelt jou de taal van oorlog en verleden?
Waar kom je het heden tegen?

In de stilte op het zwijgersveld, langs die oneindige
rijen witte graven? Je hebt de tijd niet om alle schone
boodschappen te achterhalen, om alle namen te lezen
– jong, en jonger nog.

Kijk om je heen: dit is het leven. Hier zie je vlakte
en horizon, toren en haan, zwaluwen scherend
over weilanden en geknotte wilgen, ganzen
met uitzinnige kreten, gedragen door de wind
en vrede.

In de Westhoek dwalen de zielen,
liggen ze.


    2 Carabouya

            Mistslierten over de akkers
            onder de herfstmaan.

Het wezen ligt hier, in zichzelf gekeerd
en dekt de diepe wonden toe:
de botten en de hulzen van obussen.
Het schrift vol heimwee en verdriet.
De pen, de leesbril en de zilveren knopen.

De toverwoorden van de zwarte man,
ze baatten niet. Ook niet het bidden tot de
‘Lieve Heer’. Geloof werd ongeloof, werd bitter.

Hoe dicht de mist; hoe stil de akkers nog.
Wat raakte toen, is heen. De vijand ligt,
of keerde naar de Heimat weer –

alles is stuk.


    3 Onzichtbaar is de wind

            Daar loopt de lange baan
            over de vlakke streek […]

Het land herleest de diepe groeven
in de klamme grond. De boeren zaaien in.
De akkers vangen op.

Van verderop klinkt er gebrul in het moeras.
Een breuk slingert zich over ons gezicht.

We staan te staren naar de nevels,
horen hoe mensenkinderen zingen –

En als het leven stopt, zien we de wereld
door een retro zonnebril: zo zwart als dit.
Zo tropisch vochtig en zo kil.


    4 In stilte uitdovend

            De Yaka zijn een levendig,
            artistiek, ondeugend ras.

Wij kwamen hier over de bruine
stroom, met stoom. Zij verdwenen
het woud in, ze liepen. We riepen hen na.
Zij keerden niet weer. Ze zochten hun heil
in de brousse: waar ze veilig en vrijer waren.
Geen quota, geen bleekscheet – het leven alleen.

Zo zijn ze verdwenen, in stilte uitdovend.
Zij kenden de wegen. Wij kenden er geen.


    5 Trance

            Toen de zon opkwam dampte de wereld.
            Een voorouder was teruggekeerd.

Na dagen van koorts …

Ben ik overeind gekropen en boven
de dampende aarde gaan zweven.
Naar het land gekeken – het wil mij niet meer.

Genezers gevolgd. Om gunsten gesmeekt.
Alles van hen geleerd. Ik praat met hun woorden.
En begrijp ook stilaan dit verhaal:

uit de stoffige aarde ben ik geboren
- met leden, zo wit als het lijf van de zwarte
doden, ben ik opgestegen uit hun knoken.

Laat de demonen tot mij spreken. Toon mij
de fetisjen. Spreid ze welwillend om me heen
op de grond, als de zon opkomt en de aarde
weer dampt … Als ik dans.


© Eric Vandenwyngaerden

 

 

 

 

 

 

 

* * *

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

Maak jouw eigen website met JouwWeb